0

Zeven jaar zonder mobiele telefoon, geen seconde spijt

Onlangs kwam ik er min of meer toevallig achter dat het ruim zeven jaar geleden is dat ik mijn mobiele telefoon weg deed.

Toen dacht ik eigenlijk dat ik het niet zoo lang vol zou houden maar dat dacht ik ook van de waschmachine, de magnetron en de televisie en die mis ik ook niet.

Ik had en heb zoo’n hekel aan die dingen, hoe je altijd bereikbaar bent, de vervelende geluidjes die ze in het openbaar maken, de irritatie die ze veroorzaken als menschen vergeten waar ze zijn en privegesprekken voeren die jij helaas aan moet hooren en hoe simpelweg de hele maatschappij zich tegenwoordig op de kleine beeldschermpjes richt in plaats van op elkaar.

En dan zijn er vast menschen die die enkele foto’s aan me willen laten zien van vroeger waarbij je een groep menschen allemaal de krant lezen in plaats van met elkaar de kletsen maar vergeten dan dat die foto’s meestal gemaakt werden als onderdeel van een nieuwsbericht en zelden een natuurlijke ‘snap shot’ waren.
De foto wil iets laten zien, namelijk dat iedereen de krant leest omdat er die dag iets heel bijzonders gebeurt was.
Hoe dan ook, zelfs als iedereen toen in de trein altijd de krant las is de situatie toch niet te vergelijken.
De krant maakt geen irritante muziek waar iedereen van mee kan “genieten” en krantenlezers zijn niet “doof”.

Maar goed, waarom de mobiele telefoon zoo vreselijk is hoef ik eigenlijk niet uit te leggen, ik denk dat de meeste van U, ook zij die erg blij zijn met hun eigen “mobieltje” zich toch ook regelmatig ergeren aan andere gebruikers van dat apparaat.

Zoo leef ik dus zonder mobiele telefoon en ik mis niets.
Mijn gewone telefoon, een Ericsson uit 1937, werkt prima, heeft geen batterijen noodig en is zoo ‘smart’ dat hij nooit naar buiten hoeft.
Als ik het huis verlaat ben ik niet bereikbaar, voor niemand niet, nooit niet.
En wat is die vrijheid toch heerlijk!

In al die jaren is het misschien een dozijn keer voor gekomen dat ik bij mezelf dacht; goh nu zou zoo’n ding wel handig zijn.
Maar echt belangrijk was het nooit en het heeft nooit problemen veroorzaakt.

Die kleine situaties waarbij het leven even een klein beetje moeilijker is omdat ik geen mobiele telefoon heb zijn het echt niet waard om mijn vrijheid voor op te geven.

En neen, het is ook niet slecht voor mijn bedrijf, ik ben prima te bereiken, ik heb tenslotte voor mijn werk die computer aangeschaft ook al past die niet in mijn interieur (Oh Apple waarom wilt U geen Macbook maken van bakeliet?).

De moderne tijd gunt ons niet genoeg rust en stilte en ik hou daar juist zoo van.
En ook al maken bedrijven het me soms moeilijk door me om mijn mobiele nummer te vragen en ook al komt er misschien een tijd dat we allemaal gedwongen worden zoo’n apparaat bij ons te dragen, ik blijf voorlopig gewoon lekker “immobiel”.

Vorig jaar schreef ik ook een stukje over het leven zonder mobiele telefoon, er staat veel meer in, dus als U dit korte “lustrum” bericht plezant vond dan wilt U dat vorige bericht misschien ook lezen, dat kan door hier te klikken.

Mijn telefoon.

Mijn telefoon.

Advertenties
0

Portemonnaie of portemonnee? Portemonnaie natuurlijk!

Zooals U misschien al gemerkt had is mijn taalgebruik een rommeltje.

Mijn grammatica is niet echt om over naar huis te schrijven dankzij jaren op allerlei hele verantwoorde scholen waar ik eigenlijk niets leerde behalve “mezelf ontwikkelen”.
U kent ze wel, Montessori, Freinet, dat soort systemen.

Scholen waar ik het enorm naar mijn zin heb gehad maar dankzij luiheid, eigenwijs zijn en gewoon die veel te vrije manier waarop alles werkte daar heb ik er niet echt veel geleerd.

Ik maak dus, 42 jaar oud, nog steeds schrijffouten.

Maar daarnaast zitten er ook nog rare aanpassingen in hoe ik schrijf die te wijten zijn aan mijn liefde voor het verleden.

Hier en daar pas ik de oude spelling van voor 1947 toe.

Maar ja, die heb ik natuurlijk ook niet geleerd en haal ik uit oude boeken en tijdschriften dus daar schort het ook nog wel eens aan.

Behalve dat ik die oude spelling gewoon leuk vind, ziet deze er visueel voor mij ook veel mooier uit.

Dat klinkt misschien een beetje raar maar laat mij U het volgende vragen;

Portemonnaie of portemonnee?

Links de oude Fransche spelling, rechts de moderne spelling.

Als ik naar die twee woorden kijk krijg ik automatisch de kriebels van portemonnee, ik vind het zoo lelijk!

Net alsof een klein kind de juiste spelling te moeilijk vind en het dus maar fonetisch opschrijft.

Het ziet er toch niet uit?

Portefeuille is dat lot (voorlopig) bespaard gebleven.

Net als cadeau en kado, makkelijker of niet, logischer of niet, ik vind cadeau gewoon mooier.
Gelukkig is dat (nog) wel de officiële spelling.Net als veel andere zaken waar ik een hekel aan heb komt dit voor een groot deel uit de jaren ’60 toen we in Nederland het systeem van voorkeur- en toegestane spelling hadden.
In woordenboeken zooals Het Groene Boekje, kon je dus vaak twee versies vinden, een van zooals het eigenlijk moet zijn en een voor luieriken die alles “simplisties” wilde maken.Gelukkig is dat systeem in 1995 afgeschaft en hebben we nu weer gewoon de officiële regels, die ik nu dus aan mijn laars lap.Waar ik ook een hekel aan heb is het vervangen van een C door een K.
Amerika moet natuurlijk gewoon America zijn, produkt is product, akkoord is accoord, insekt is insect, lokatie is locatie, kassière is caissière, elektrisch is electrisch, insekt is insect, lokatie is locatie, Oktober is October, etc.
In veel gevallen heeft men nu weer de juiste spelling gekozen, met een C dus, maar tot vrij recent was het ook vaak andersom.Belangrijk is het allemaal niet, natuurlijk, de taal is een levend iets en veranderd door de jaren heen en dat is vast reuze goed.
Maar mooi hoef ik het niet te vinden.
En dan heb ik het nog niet eens over de gruwelijkheden die onzen taal binnen sluipen dankzij het verzenden van teksten per mobiele telefoon, waarbij we blijkbaar massaal last last hebben gekregen van dyslexie.
Taal hoeft niet alleen practisch te zijn maar mag er ook best goed uit zien.
Behalve het visuele aspect speelt hier ook een klein mini-trauma uit mijn jeugd een rol.
Op de basisschool hadden we met grote regelmaat een dictee, de leraar las wat woorden voor en wij moesten die opschrijven.
Ik was er niet zoo heel goed in en een woord had ik echt altijd fout; bureau.
Hoe ik de letters ook door elkaar husselde, nooit schreef ik het goed en dat frustreerde mij.
Dus ik ging oefenen en oefenen en oefenen en eindelijk lukte het me, ik had dat woord goed op het dictee en ik was reuze trotsch op mezelf.
Tot… ik er niet veel later achter kwam dat buro dus ook mocht.
Nou ja technisch gezien was dat helemaal niet toegestaan maar ik zat op een Freinet school en de meeste leerkrachten waren hippies, dus daar mocht het.
Maar op het moment dat ik ergens buro las besloot ik als klein meisje resoluut dat woord dus niet te accepteren en stug bureau te blijven gebruiken.Een ander klein mini trauma uit mijn schooljaren was toen ik leerde schrijven, ook daar was ik niet zoo goed in maar toen ik het uiteindelijk onder de knie kreeg en me voor taal begon te interesseren heb ik ergens gezien dat iemand aan elkaar schreef, misschien Opa of Oma of een oude brief, ik weet niet waar ik het zag maar dat aan elkaar schrijven vond ik wel mooi en dat begon ik dus ook te doen.
Maar dat was veel te gevorderd voor ons klasje, dat was niet de bedoeling.
De juf vertelde me dus dat dat niet mocht en ik moest met blokletters schrijven.
Ik was toen erg jong, we waren nog woorden als boom aan het leren, maar ik weet nog goed hoe verontwaardigd ik was.
Toen al vond ik het belangrijk dat wat ik schreef er mooi uit zag, of dat nou moeilijker was of niet.Mijn relatie met de Nederlandsche taal is daarna nooit meer goed gekomen.

Kleine juffrouw Jo (links) op school.

Kleine juffrouw Jo (links) op school.

1

Het verloren leven van Riet Jurgens

Riet's brieven en foto'sLang geleden vond ik op het Waterlooplein een doosje met oude foto’s en brieven, die kon ik niet laten liggen.

Nieuwsgierig als ik ben bekeek ik thuis de foto’s en brieven en voor mijn oogen ontvouwde zich het leven van Riet, een jonge vrouw tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Ze woonde aan de Haarlemmerweg 589 in Amsterdam en had een vrijer die Wim heette en haar Rietekind en Rietepoes noemde en die een brief schreef die best zou kunnen betekenen dat hij ondergedoken zat, hij addresseerd zijn brieven met “ergens in Amsterdam” en schrijft dat hij zich niet verveeld en veel klusjes te doen heeft.
Ook schrijft hij in een andere brief de Razzia’s in haarlem overleefd te hebben.
maar de relatie loopt in Augustus 1944 op de klippen.

Maar ook kwamen er een Susi en Fons voorbij, die heftig verliefd waren en blijkbaar samen in Duitschland zaten.

Het kan natuurlijk goed zijn dat er op de rommelmarkt of in al die jaren dat het doosje ergens op zolder lag andere foto’s bij gegooid waren die niets met Riet te maken hadden, maar van haar kwamen toch wel de meeste.

En dan waren er natuurlijk ook haar brieven.
Ik voel me ongemakkelijk die te lezen en te delen, maar historisch gezien zijn ze toch wel interessant en het had weinig gescheeld of ze waren bij het vuil terecht gekomen.
Nu krijgt Riet jaren na haar overlijden toch nog wat aandacht en ik hoop dat ze dat zou waarderen.
Als historica die zich gespecialiseerd heeft in het dagelijks leven vlak voor en tijdens de oorlog ontkom je er soms niet aan je neus in prive zaken te steken.

Enkele papiertjes  zaten gepropt in een klein envelopje waar ‘Afblijven!’ op stond, een bevel dat ik lang opgevolgd heb maar uiteindelijk kon ik mijn nieuwsgierigheid niet meer bedwingen.
Sorry Riet.

En zoo begint de reconstructie van Riet’s verhaal.
Ik vind het altijd zoo droevig als een heel leven uiteindelijk eindigt in een doos op de rommelmarkt.
Was er op het einde niemand meer over die er nog waarde aan hechtte?
Of stond de doos al zoo lang op zolder dat niemand Riet meer kende, er zitten namelijk geen foto’s of brieven bij van na de oorlog.

In een brief van Januari 1944 schrijft ze dat het slecht met haar gezondheid is gesteld; “Ik loop haast leeg en alle groote stukken komen naar beneden. ’t is een ware clandestiene slachterij en ik nies dan ook.”
Verderop schrijft ze; “De invasie moet maar snel komen.”.
Maar daar moet ze dan nog een paar maanden op wachten, en de bevrijding is nog verder weg.

Een paar maanden later schrijft ze dat het uit is met Wim in een brief.
Maar ze schrijft ook dat ze ontslag heeft genomen omdat het bedrijf waar ze werkte is ‘gesaneerd’ en ze niet voor de SS wilde werken.
Onze Riet was dus een goede vaderlander!

Riet?

Riet?

In een brief van rond de bevrijding geeft ze een zekere Paul relatie advies, blijkbaar is zijn meisje er met een Canadees vandoor, iets dat toen veel voorkwam.
Hij moet haar maar even negeren, die Canadees is straks toch weer weg en een Nederlandsche knaap met een draaishag kan toch niet op tegen die vent met een Jeep en elke dag dansen en naar de bioscoop!
Ze stelt zelfs voor samen die meid jaloersch te maken maar daar heeft hij eigenlijk een officiers uniform voor noodig.
Die Riet!

Maar ik denk dat dat de meest recente brief is en dan loopt het spoor dood.

Wat zou er van Riet terecht gekomen zijn?
En Wim, Susi en Fons?Als U meer weet of simpelweg zin heeft in historisch onderzoek en iets vind, dan hoor ik graag van U!

U kunt de hele collectie bekijken door hier te klikken.

Wat zijn oude foto’s toch machtig mooi fascinerend.

Toevoeging;

We hebben haar gevonden!
MIjnheer van Gelderen dook in de archieven en ze is terecht.
Gelukkig is ze niet vlak na de oorlog gestorven, dat dacht ik even omdat ze vaak ziek was en de foto’s en brieven ophielden rond 1945.
Ze heeft een lang leven gehad en is pas in het jaar 2000 overleden.
CLFV3maWUAAI77C CLFV3MHWIAEqEkd

0

Ode aan een vergeten held

In Nederland hebben we een minderwaardigheidscomplex als het om onze geschiedenis gaat.

In Engeland hebben ze het nog de Napoleontische oorlog, in België herdenken ze nog dagelijksch (!) de Eerste Wereldoorlog, maar hier in Nederland begon men in de jaren ’50 al te roepen dat het tijd werd op te houden over die Tweede Wereldoorlog.

En nu nog, als we het over die oorlog hebben dan beginnen de Nederlanders al heel snel over de vele NSB’ers, het verraad en dat het hele volk eigenlijk de andere kant op keek.
Historici zijn inmiddels gelukkig aan het nuanceren, eindelijk is de tijd daar dat we naar ons verleden kunnen kijken zonder alleen de donkere kant te zien.
Bob Moore en Bart van der Boom bijvoorbeeld, durven ons er weer van te overtuigen dat ons verzet wel iets voorstelde, dat niet iedereen fout was en dat we ons echt niet hoeven te schamen; wij in Nederland waren echt niet veel slechter of beter dan de menschen in andere bezette landen.

Begrijp me niet verkeerd, er was verraad, er was collaboratie en er zijn veel zwarte bladzijdes in het hoofdstuk; “Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog”, maar we moeten ophouden alleen daar naar te kijken en niet trotsch durven te zijn op die goede bladzijdes.

Maar goed, over hoe wij met de Tweede Wereldoorlog om gaan en alle mythes en misverstanden die men ons nog steeds in scholen probeert wijs te maken heb ik het een ander keertje nog wel.

Dit verhaal is veel simpeler.

Tijdens de bezetting waren er talloze anonieme helden die op hun eigen manier tegen de bezetter streden.
Soms waren hun daden klein of ze waren niet “stoer” genoeg omdat ze niet met een wapen zwaaide of iets opbliezen.
Zij zijn niet de soort verzetshelden waarover talloze boeken werden geschreven of films werden gemaakt.
In veel gevallen zijn ze onbekend en verdwenen hun namen en hun daden in de nevel van het verleden.

En als ik dan weer iemand hoor roepen dat het verzet in Nederland niet veel voorstelde of iemand met cijfers komt van hoe veel er streden tegen de bezetter, dan denk ik altijd aan die heeren en dames van wie niemand ooit heeft gehoord.
De agent die mijn Joodse vriendin weg stuurde toen haar ouders werden opgepakt, de buren die heusch wel hoorde dat er onderduikers bij de bovenburen zaten maar dat nooit doorvertelde, de politie secretaresse die per telefoon anoniem iemand waarschuwde dat de overvalwagen onderweg was, die voorbijgangers die zagen dat een landverrader werd neergeschoten maar die de verzetsheld een ondersteunende knik gaven en vervolgens de politie vertelde niets gezien te hebben, etc, etc.
Menschen die in veel gevallen na de oorlog dit niet van de daken schreeuwde maar er juist nooit over spraken.

Ik heb ze mogen ontmoeten tijdens mijn optredens in musea en ik ben er erg trotsch op dat in enkele gevallen hun ontmoeting met mij er de reden voor was dat ze voor het eerst spraken over wat ze toen deden en dat ik ze ervan kon overtuigen dat wat ze toen deden wel iets voorstelde, dat ik ze dapper vond, hun daden alsnog waardeer en ze voor mij helden waren.
Dit vaak in het bijzijn van hun kinderen die met open monden voor het eerst hoorde van wat hun ouders deden tijdens de oorlog.

Vandaag wil ik het dus hebben over zoo’n vergeten held.
Tussen de vele oude spullen die ik op rommelmarkten vind zat onderstaande gedicht.
Het is een ode aan een zekere Heer van Vliet, hij kwam uit Barendrecht en bracht met grote regelmaat de ondergrondsche krant Trouw naar het loket waar de schrijvers van dit gedicht werkte.
Ik zie het al voor me, de man met zijn actentasch, “Mogge Heeren” en alle loketmedewerkers springen op om het krantje te ontvangen.
Eindelijk weer nieuws, opbeurende berichten en dat lezen wat je van de Mof niet zeggen of zelfs denken mocht.
En ruim een half jaar na de bevrijding voelen de kantoormedewerkers opeens de neiging om de Heer van Vliet hiervoor te bedanken.
Ze schrijven het gedicht, typen en stencilen het netjes, tekenen de vlag, trekken keurig met de liniaal een roode en blauwe streep en zetten hun handteekening eronder.

En dan op komt de heer van Vliet weer langs, voor postzegels, of een stempeltje, of wat er ook op dat kantoor gebeurt en dan krijgt hij opeens dit mooie briefje en misschien een kus op de wang van de secretaresse en een ferme hand van de mannen.
Ik zie het helemaal voor me.

En dan gaat de Heer van Vliet weer naar huis, met een blos op de wangen, vochtige oogen en reuze trotsch maar hij is bescheiden en verder zal waarschijnlijk niemand ooit over zijn daden gehoord hebben.

Een krantje rond brengen is misschien niet een echte verzetsdaad in uw oogen, Paul Verhoeven zal er (gelukkig) geen film over maken.
Maar vergis U niet, als de Heer van Vliet tijdens al regelmatige bezoekjes gepakt zou zijn, is de kans groot dat hij de oorlog niet had overleefd.

De barre werkelijkheid is dat de Duitschers ons verzet een stuk serieuzer namen dan de meeste Nederlanders toen en nu.

Hier is dan het gedicht, het kantoor was ergens in Dordrecht, mijnheer van Vliet kwam uit Barendrecht.
Op kantoor werkte een heer Bogerd en Mol, de andere handteekeningen kan ik niet lezen.

Weet U meer?
Dan hoor ik graag van U.

En wat mij betreft, alsnog dank mijnheer van Vliet.

(Click afbeelding om grotere versie te bekijken)

Mijnheer van Vliet

2

Vadertje Drees

Op deze dag in 1886 werd Willem Drees geboren, hij zou een van Neerlandsch grootste politici worden.

Hij was onze minister president vlak na de oorlog en woonde in een relatief gewoon huis aan de Beeklaan in Den Haag.
Elke dag ging hij te voet of met de fiets naar de Tweede Kamer, met in zijn gevolg allerlei gewone vaderlanders, jong en oud, buren, toevallige passanten, etc.
En zoo maakte hij een babbeltje, beantwoorde vragen, was een van ons.
Wat er ook allemaal waar of niet waar is van de heldenverering rondom misschien wel onze beste minister president is een onderwerp voor een heel ander verhaal.
Maar feit is dat Drees niet van gedoe hield.
Belangrijke politici ontving hij graag thuis want dat gaf minder rompslomp.
Hij was erg zuinig en bescheiden en hoefde in tegenstelling van veel andere politici niet altijd een sigaar of borrel.
Een goede Nederlander is zuinig en Drees gaf het goede voorbeeld.
Ook maakte hij van ons door oorlog verscheurde land weer een echte SAMENleving, iets dat we nu ook weer vreselijk noodig hebben.
Maar belangrijker nog; hij zorgde er voor dat zij die het het hardst verdient hebben, onze ouderen, op hun oude dag niet meer armoede hoefde te lijden.
Want nostalgisch als we zijn, we moeten niet vergeten dat men in de jaren voor de oorlog nog regelmatig menschjes van in de 70 of 80 konden tegen komen die op straat lucifers of kranten moesten verkoopen om te overleven.

Ik wilde eigenlijk alleen maar kwijt dat ik weemoedig terug kijk naar onzen Drees, helemaal als ik al die moderne politici druk zie doen.
Allemaal schreeuwen, allemaal bewaking, allemaal belangrijk doen.
Maar verder hebben ze meer praatjes dan idealen.
Drees zou zijn hoofd schudden als hij het kon zien.

En ook niet onbelangrijk… Drees ging beter gekleed dan al onze moderne politici bij elkaar!

Een fyne verjaardag toegewenst vadertje Drees.

Drees