0

Ode aan een vergeten held

In Nederland hebben we een minderwaardigheidscomplex als het om onze geschiedenis gaat.

In Engeland hebben ze het nog de Napoleontische oorlog, in BelgiĆ« herdenken ze nog dagelijksch (!) de Eerste Wereldoorlog, maar hier in Nederland begon men in de jaren ’50 al te roepen dat het tijd werd op te houden over die Tweede Wereldoorlog.

En nu nog, als we het over die oorlog hebben dan beginnen de Nederlanders al heel snel over de vele NSB’ers, het verraad en dat het hele volk eigenlijk de andere kant op keek.
Historici zijn inmiddels gelukkig aan het nuanceren, eindelijk is de tijd daar dat we naar ons verleden kunnen kijken zonder alleen de donkere kant te zien.
Bob Moore en Bart van der Boom bijvoorbeeld, durven ons er weer van te overtuigen dat ons verzet wel iets voorstelde, dat niet iedereen fout was en dat we ons echt niet hoeven te schamen; wij in Nederland waren echt niet veel slechter of beter dan de menschen in andere bezette landen.

Begrijp me niet verkeerd, er was verraad, er was collaboratie en er zijn veel zwarte bladzijdes in het hoofdstuk; “Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog”, maar we moeten ophouden alleen daar naar te kijken en niet trotsch durven te zijn op die goede bladzijdes.

Maar goed, over hoe wij met de Tweede Wereldoorlog om gaan en alle mythes en misverstanden die men ons nog steeds in scholen probeert wijs te maken heb ik het een ander keertje nog wel.

Dit verhaal is veel simpeler.

Tijdens de bezetting waren er talloze anonieme helden die op hun eigen manier tegen de bezetter streden.
Soms waren hun daden klein of ze waren niet “stoer” genoeg omdat ze niet met een wapen zwaaide of iets opbliezen.
Zij zijn niet de soort verzetshelden waarover talloze boeken werden geschreven of films werden gemaakt.
In veel gevallen zijn ze onbekend en verdwenen hun namen en hun daden in de nevel van het verleden.

En als ik dan weer iemand hoor roepen dat het verzet in Nederland niet veel voorstelde of iemand met cijfers komt van hoe veel er streden tegen de bezetter, dan denk ik altijd aan die heeren en dames van wie niemand ooit heeft gehoord.
De agent die mijn Joodse vriendin weg stuurde toen haar ouders werden opgepakt, de buren die heusch wel hoorde dat er onderduikers bij de bovenburen zaten maar dat nooit doorvertelde, de politie secretaresse die per telefoon anoniem iemand waarschuwde dat de overvalwagen onderweg was, die voorbijgangers die zagen dat een landverrader werd neergeschoten maar die de verzetsheld een ondersteunende knik gaven en vervolgens de politie vertelde niets gezien te hebben, etc, etc.
Menschen die in veel gevallen na de oorlog dit niet van de daken schreeuwde maar er juist nooit over spraken.

Ik heb ze mogen ontmoeten tijdens mijn optredens in musea en ik ben er erg trotsch op dat in enkele gevallen hun ontmoeting met mij er de reden voor was dat ze voor het eerst spraken over wat ze toen deden en dat ik ze ervan kon overtuigen dat wat ze toen deden wel iets voorstelde, dat ik ze dapper vond, hun daden alsnog waardeer en ze voor mij helden waren.
Dit vaak in het bijzijn van hun kinderen die met open monden voor het eerst hoorde van wat hun ouders deden tijdens de oorlog.

Vandaag wil ik het dus hebben over zoo’n vergeten held.
Tussen de vele oude spullen die ik op rommelmarkten vind zat onderstaande gedicht.
Het is een ode aan een zekere Heer van Vliet, hij kwam uit Barendrecht en bracht met grote regelmaat de ondergrondsche krant Trouw naar het loket waar de schrijvers van dit gedicht werkte.
Ik zie het al voor me, de man met zijn actentasch, “Mogge Heeren” en alle loketmedewerkers springen op om het krantje te ontvangen.
Eindelijk weer nieuws, opbeurende berichten en dat lezen wat je van de Mof niet zeggen of zelfs denken mocht.
En ruim een half jaar na de bevrijding voelen de kantoormedewerkers opeens de neiging om de Heer van Vliet hiervoor te bedanken.
Ze schrijven het gedicht, typen en stencilen het netjes, tekenen de vlag, trekken keurig met de liniaal een roode en blauwe streep en zetten hun handteekening eronder.

En dan op komt de heer van Vliet weer langs, voor postzegels, of een stempeltje, of wat er ook op dat kantoor gebeurt en dan krijgt hij opeens dit mooie briefje en misschien een kus op de wang van de secretaresse en een ferme hand van de mannen.
Ik zie het helemaal voor me.

En dan gaat de Heer van Vliet weer naar huis, met een blos op de wangen, vochtige oogen en reuze trotsch maar hij is bescheiden en verder zal waarschijnlijk niemand ooit over zijn daden gehoord hebben.

Een krantje rond brengen is misschien niet een echte verzetsdaad in uw oogen, Paul Verhoeven zal er (gelukkig) geen film over maken.
Maar vergis U niet, als de Heer van Vliet tijdens al regelmatige bezoekjes gepakt zou zijn, is de kans groot dat hij de oorlog niet had overleefd.

De barre werkelijkheid is dat de Duitschers ons verzet een stuk serieuzer namen dan de meeste Nederlanders toen en nu.

Hier is dan het gedicht, het kantoor was ergens in Dordrecht, mijnheer van Vliet kwam uit Barendrecht.
Op kantoor werkte een heer Bogerd en Mol, de andere handteekeningen kan ik niet lezen.

Weet U meer?
Dan hoor ik graag van U.

En wat mij betreft, alsnog dank mijnheer van Vliet.

(Click afbeelding om grotere versie te bekijken)

Mijnheer van Vliet